|
![]() |
| SBOV III | Partners | Contact | ||||||||||||||||||||||||||
|
Spoor 1: Bestuurlijke Relaties
De beleidsvoering van de overheid wordt geconfronteerd met twee belangrijke en op het eerste zicht niet steeds met elkaar verzoenbare trends, namelijk de professionalisering en de vermaatschappelijking van beleid. De professionalisering van de beleidsvoering heeft betrekking op de zoektocht naar de verbetering van de effectiviteit van het overheidsoptreden. Beleid dat effectief is, dat (door) werkt moet beroep doen op een soms ingewikkelde causale modellering van beleidsproblemen, en op door feitenmateriaal onderbouwde ex ante en ex post evaluaties van beleidsinstrumenten. De vermaatschappelijking van beleid vindt haar oorsprong in de toenemende noodzaak aan draagvlakverwerving voor beleid nu dat door de snelle afbouw van de overzichtelijke corporatistische organisatie van de samenleving klassieke vormen van beleidsontwikkeling hun beleidsrelevantie verliezen en burgers beleid de rug dreigen toe te keren. De ambitie van het onderzoek is om vanuit een beleidswetenschappelijke
invalshoek inzichten te verwerven in de meerlagigheid, fijnmazigheid
en verzoenbaarheid
van de professionaliteit en maatschappelijkheid van lokale beleidsvoering. Vervolgens zal een exploratieve studie plaatsvinden naar lokale beleidsontwikkelingsprocessen op een aantal beleidsdomeinen. Leidraad hierbij vormden uit de literatuur gedestilleerde hypothesen betreffende de te verwachten veranderingen in de aard, inhoud en het verloop van beleidsvormingsprocessen als gevolg van (verdere) vermaatschappelijking en professionalisering. Een grootschalig survey-onderzoek bij politieke en ambtelijke beleidsmakers -en besluitvormers in de 308 Vlaamse gemeenten is bedoeld om data te genereren over de formele beleidsvormingsstructuren -en procedures alsmede over hun variëteit en complexiteit. Bovendien zal het survey-onderzoek peilen naar bij beleidsmakers levende opvattingen over de bestaande, mogelijke en gewenste mate van professionalisering en vermaatschappelijking van lokale beleidsontwikkelingsprocessen. Het survey-onderzoek zal worden gecomplementeerd door een kwalitatief onderzoek in een 10-tal gemeenten van verschillende grootte. Dit gedeelte van het onderzoek is vooral bedoeld om door te dringen in de meerlagigheid en fijnmazigheid van (de "onderlaag" van) lokale beleidsvoering, o.a. door het volgen en reconstrueren van specifieke beleidsprocessen op een of meerdere beleidsdomeinen en door intensieve bevraging van bij deze processen betrokken politieke, bestuurlijke en maatschappelijke actoren. TERUGBLIK 2001-2002 Het werkjaar 2002 stond in belangrijke mate in het teken van uitgebreid
literatuur onderzoek. Hierin werd een uitvoerige inventarisatie gemaakt
van de in de internationale en Vlaamse bestuurskundige, beleidswetenschappelijke,
sociologische en politicologische literatuur bestaande normatieve en
empirische theorieën van beleidsprofessionalisering en beleidsvermaatschappelijking.
De literatuurstudie leerde dat de vraag naar de noodzaak tot professionalisering
en vermaatschappelijking lastig te beantwoorden is; er bestaat geen Archimedisch
punt vanwaaruit die noodzaak objectief zou kunnen worden vastgesteld.
Een eventuele conclusie dat vermaatschappelijking en professionalisering
noodzakelijk zijn (of juist niet) is dan ook onlosmakelijk verbonden
met welke analyse van ontwikkelingen en daaruit volgende problemen in
samenleving, politiek en bestuur men het meest adequaat acht. Zelfs wanneer
men een bepaalde visie zou onderschrijven, blijft de vraag of vermaatschappelijking
en professionalisering ook effectieve oplossingen vormen voor de gesignaleerde
problemen. Ook hierover blijken de opvattingen danig te verschillen.
Voorlopige bevindingen uit de literatuurstudie zullen worden besproken
in een rapport dat rond december 2002 zal zijn voltooid. TERUGBLIK 2003 In het tweede werkingsjaar werd de theoretische en conceptuele basis voor het empirische luik van het onderzoek verder verstevigd en uitgebouwd (o.a. aandacht voor participatiemotivaties, bureaupolitiek en organisationele rivaliteit, beleidsverandering, incrementele versus rationeel-synoptische beleidsvorming, beleidsbepleiting en -makelarij, en structuurpolitiek). Aan de hand van documentanalyse en een veertigtal kwalitatieve, ongestructureerde interviews met Vlaamse en lokale beleidsactoren werd een inventarisatie gemaakt van bestaande arrangementen van vermaatschappelijking en professionalisering, en werden onderzoekshypothesen gegenereerd welke de leidraad zullen vormen voor het kwalitatieve casusonderzoek en de kwantitatieve survey in het volgende onderzoeksjaar. In het najaar werd begonnen met de voorbereiding van een survey over de percepties, opvattingen en preferenties van lokale beleidsmakers. Er werd toegang verkregen tot het internationale Democracy and Local Governance Project, waardoor Vlaamse bevindingen ook in internationaal vergelijkend perspectief zullen kunnen worden geplaatst. In de eerste maanden van 2004 werd verder gewerkt aan twee casusonderzoeken in het raam van het vermaatschappelijkingsluik: (1) beleidsparticipatie van sociale huurders aan het huisvestingsbeleid in Antwerpen; (2) beleidsparticipatie van generatie-armen aan het lokale tewerkstellingsbeleid, eveneens in Antwerpen. Aan de hand van deze casus-onderzoeken werd nagegaan (1) hoe beleidsparticipatie door eerder niet of nauwelijks georganiseerde beleidsbelangengroepen vorm krijgt; (2) of en hoe beleidsparticipatie door belangengroepen zich vertaalt in beleidsbeinvloeding (januari en februari). De periode van februari tot juli stond in het teken van de voorbereiding voorbereiding, verzending en verwerking van de Democracy and Local Governance survey. In het najaar werden de eerste resultaten hiervan verwerkt in twee tussentijdse rapporten (1) Opleidingsniveau van Stedelijke Beleidsmakers, (2) Lokale Beleidsvorming: Politici, Ambtenaren en Kabinetten (september en oktober). In oktober werden bovendien verkennende telefonische interviews gehouden t.b.v. casusonderzoek naar de praktijk van strategische planning in de Vlaamse lokale besturen. In november en december werd geinvesteerd in de statistische competenties van de onderzoeker, literatuur studie en het schrijven van een vergelijkende studie naar de beleidsinvloed van de Vlaamse lokale topambtenarij. 2005 stond grotendeels in het teken van een kwalitatief
onderzoek naar de determinanten van succesvolle beleidsparticipatie door ‘gewone
burgers’. De laatste jaren lanceren de meeste Europese, en dus
ook de Vlaamse, lokale overheden allerlei initiatieven die ‘gewone’ burgers
(zij die geen politieke of ambtelijke posities bekleden) uitnodigen
om mee beleid te maken en zo besluitvormers te ondersteunen bij het
maken van geïnformeerde beleidskeuzes. Deze initiatieven van burgerbeleidsparticipatie
(BBP) vallen op door de nieuwe verhoudingen tussen overheid en burger
waaraan zij invulling moeten geven: niet hiërarchie, sturing,
en verplichting maar interactie, communicatie, participatie, en deliberatie
zijn de sleutelwoorden. Het gaat erom dat de overheid de burger als
een gelijkwaardige ‘partner’ benadert, en dat beleidsvorming
een zaak van ‘coproductie’ wordt. In 2005 werd uitvoerig onderzoek verricht naar een Vlaams BBP forum dat wist te ontsnappen aan deze ‘ijzeren wet’ van participatieve verdamping. Het betreft het PASH (Platform Antwerpse Sociale Huurders) in Antwerpen, een platform waarbinnen enkele tientallen sociale huurders samen met de stedelijke sociale huisvestingsmaatschappijen (SHMs), de stedelijke overheid, het opbouwwerk en andere ‘partners’ al sinds meer dan zes jaar participeren aan het lokale en Vlaamse woonbeleid. Deze beleidsparticipatie door Antwerpse sociale huurders is een, uitzonderlijk, succes. In tegenstelling tot wat vaak gebeurt is het aantal deelnemers gestaag gegroeid. Participanten van het eerste uur blijven ook participeren. PASH heeft bovendien behoorlijk wat invloed en impact op het sociaal woonbeleid. Beleidssuggesties van het PASH figureren regelmatig op de beleidsagenda. Begrip van wat succesvolle BBP-fora als het PASH precies zo succesvol maakt is van evident belang. Een dergelijk begrip kan helpen bij de ontwikkeling van een -nog altijd grotendeels ontbrekende- theorie van BBP die kan verklaren waarom en onder welke voorwaarden BBP kans van slagen heeft. Zo’n theorie heeft allicht ook praktisch nut: wie de noodzakelijke condities voor BBP kent, kan die condities ook beinvloeden. Het onderzoek in 2005 was bedoeld om dergelijke noodzakelijke voorwaarden in kaart te brengen. Het onderzoek had het karakter van een reverse engineering. Reverse engineering -het uit elkaar halen van een voorwerp met als doel om erachter te komen hoe dat voorwerp werkt- is een methode die vaak wordt toegepast door ingenieurs die een voorwerp willen maken waarvan zij de specificaties niet kennen. Ook voor sociaal-wetenschappelijke onderzoekers kan reverse engineering een nuttige methode zijn, specifiek in die gevallen waarin zij worden geconfronteerd met een verschijnsel dat –gelet op de beschikbare inzichten terzake, de huidige, dominante theorie dus- helemaal niet zou moeten kunnen bestaan. Succesvolle burgerbeleidsparticipatie, nu, is zo’n ‘bizar’ verschijnsel: het doet zich zelden voor omdat BBP bijna altijd ten prooi valt aan de wet van participatieve verdamping. Een evident probleem bij het teruguit-ontwerpen van sociale verschijnselen is dat je deze niet echt zo uit elkaar kunt halen als een fysiek object. In mijn onderzoek heb ik geprobeerd dit probleem te ondervangen door gebruik te maken van een combinatie van onderzoeksmethoden –interviews, bronnenonderzoek en observerende participatie- die het ideaal van het fysiek uit elkaar halen van een object zo dicht mogelijk benaderen. Het leeuwendeel van de onderzoeksgegevens werd vergaard aan de hand van 25 kwalitatieve interviews met 35 direct betrokkenen bij de Antwerpse sociale huurdersparticipatie: sociale huurders, stedelijke politici en ambtenaren, bestuurders van SHMs, opbouwwerkers, Vlaamse kabinetairs, medewerkers van de Huurdersbond Antwerpen en het Vlaams Overleg Bewonersbelangen, en academici. De onderzoeksresultaten van dit onderzoeksluik zullen in de loop van 2006 worden gepubliceerd in het rapport “Waarom ‘gewone’ burgers soms toch succesvol participeren aan beleid: Een ‘teruguit-ontwerp’ van de beleidsparticipatie door Antwerpse sociale huurders” en een aantal artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Eind 2005 werden ook de voorbereidingen getroffen voor het deelonderzoek naar de impact van planstimulansen op de structuur en cultuur van lokale beleidsvorming in Vlaanderen: formulering van de probleemstelling en onderzoekshypothesen; verzameling en verwerking van recente literatuuren, en de uitwerking van de te hanteren onderzoeksstrategie. Dit onderzoek zal in 2006 verder worden uitgevoerd. In 2005 werden presentaties gehouden op wetenschappelijke en praktijkbijeenkomsten
(Politcologenetmaal, NIG Research Seminar “Implementation Theory
and Research”, VIBOSO seminarie over Gemeentedecreet). In de eerste helft van 2006 wordt de impact van planstimulansen op de structuur en cultuur van het lokale bestuur onderzocht via een kwalitatieve studie. Strategische planvormen werden de laatste jaren immers door de Vlaamse overheid in veelvoud geïntroduceerd op verschillende lokale beleidsdomeinen. Voorbeelden hiervan zijn ondermeer het cultuurbeleidsplan, het mobiliteitsplan en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Deze planningsimpulsen kunnen begrepen worden als een poging tot het inbedden van een doel-middel rationaliteit om zodoende het lokale beleid te “professionaliseren”. Het is de bedoeling dat lokale politici, ambtenaren en stakeholders samen participeren in een planningsproces om concrete doelstellingen te formuleren, de middelen te selecteren die deze doelstellingen moeten verwezenlijken, en om later de resultaten van hun eigen beleidsinspanningen te evalueren, om op die manier te “leren”. Via interviews met lokale ambtenaren, politici en enkele Vlaamse ambtenaren trachten we te bouwen aan een planningstheorie. Er wordt nagegaan in hoeverre de pleitbezorgende argumenten voor de introductie van planning, in de praktijk van het Vlaamse lokale bestuur standhouden. Is planning effectief in staat om een meer rationeel-synoptische vorm van beleid te creëren, wordt er meer op de lange termijn aan beleid gedaan, en hoe gebeurt de controle op de planinspanningen? Ten slotte wordt ook onderzocht in hoeverre planning een echte impact heeft op het beleid. We trachten ons niet te beperken tot het onderzoeken van de plannen zelf maar gaan ook na of plannen “doorwerken” op het dagelijkse beleid. Aangezien er over planningsimpact nog maar weinig onderzoek gedaan is in Vlaanderen, gaat het hier vooral om een exploratieve studie. Het zou dan ook een ideale aanzet kunnen vormen voor meer toetsende onderzoeken in de toekomst. VALORISATIE & MIJLPALEN
Andere publicaties kunnen worden opgezocht via de publicatiedatabank. Coördinator:Marleen Brans (KU Leuven) Projectbegeleider: Wetenschappelijk medewerkers:
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
|