SBOV I
SBOV III Partners Contact  
 
Onderzoek
Publicaties
 
 
 
English

B-project: Regioscreening als instrument voor bestuurlijke hervorming (2011)

Regioscreening: status quaestionis

De Vlaamse regering stelt een uitrol van het instrument van de regioscreening over heel Vlaanderen in het vooruitzicht. In het kader van het Groenboek wordt dit instrument gekoppeld aan discussies over de ‘verrommeling’ van het bestuur op schaalniveaus tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid. Dit onderzoek in het kader van het SBOV focust op een aantal vragen die daarbij opduiken. Het gaat zowel over finaliteit en nut van een regioscreening, de inhoud en betekenis ervan als over de methodische uitwerking en het gebruik, het effect en de opvolging van de resultaten.

Finaal is de vraag: moet, kan en hoe kan het instrument van de regioscreening over heel Vlaanderen worden uitgerold; wat zijn de randvoorwaarden voor de inzet van dit instrument; wat zijn de kwaliteitsvoorwaarden voor een nuttig gebruik; wat kan de betekenis zijn van het instrument voor de lokale en Vlaamse actoren ?

Enkele regio’s hebben het Groenboek op dit punt mee geïnspireerd. Zij namen initiatieven in de sfeer van de regioscreening, vooraleer dat woord gangbaar werd. Belangrijk is ook dat deze inventarisatie er niet zomaar kwam: ze was zelf al het resultaat van een bottom-up gegroeide dynamiek in die regio’s die zich niet of niet in dezelfde mate voordoet in andere Vlaamse regio’s.  Dat verklaart waarom in deze regio’s de inventaris van gebiedsgerichte samenwerkingsverbanden gekoppeld is aan intensieve processen van overleg en publiek debat over de bestuurlijke uitbouw van het gebied. Tussen de regio’s zijn er op dat vlak evenwel ook verschillen. Dat alles leidt in deze regio’s tot voorstellen die zich zowel richten tot de lokale actoren als tot de Vlaamse overheid. De inventarisatie heeft dan weer nieuwe effecten tijdens het proces meegebracht.

Regioscreening: meer dan inventariseren

Het begrip regioscreening roept verschillende betekenissen op: het aspect van de inventarisatie van bestuurlijke samenwerkingsverbanden is één element van wat een ruimer proces is. Beide, inventaris en proces, kunnen dan bovendien nog voor verschillende doelstellingen worden gebruikt, zoals ook in de vier regio’s het geval is. We stellen daarom voor om zeker bij aanvang van het onderzoek het begrip in zijn ruime procesmatige betekenis te hanteren en te analyseren welke betekenis aan deze processen werd gegeven (waarom werden ze opgezet, wat was de finaliteit). Dat levert in deze fase van de discussie in Vlaanderen de meest rijke informatie op, die ook het meest relevant is voor andere regio’s. Een inventaris maken van samenwerkingsverbanden op zich heeft weinig zin als daar niet meteen de vraag wordt aan gekoppeld waartoe die moet dienen en hoe daarmee in de regio wordt gewerkt.

Keuze voor een combinatie van onderzoek

Omwille van het nieuwe karakter, omwille van de nog vele open vragen over het instrument en over de mogelijke of wenselijke veralgemening ervan, kiezen we voor een grotendeels inductieve benadering, vanuit de vijf regio’s die met aspecten van deze regioscreening bezig zijn geweest. Dit onderzoek is inductief omdat we gebruik maken van de ervaringen in het veld; we bekijken kritisch wat daar is gebeurd en halen daar ons materiaal om het onderzoek op te bouwen en om de onderzoeksvragen te beantwoorden.

We onderscheiden vijf regio’s: het Meetjesland en de Westhoek als meer landelijke regio’s; de regio Midden-West-Vlaanderen, de regio Zuid-West-Vlaanderen en de Turnhoutse stadsregio als meer verstedelijkte gebieden. Voor ons zijn deze regio’s representatief in de zin dat ze alle vijf bezig zijn met aspecten van de regioscreening, dat ze ons elk apart nuttige informatie kunnen toeleveren omwille van hun verscheidenheid en interessante uiteenlopende ervaringen. Dat is een invulling van representativiteit die voor dit inductief kwalitatief onderzoek gepast is. Tijdens het onderzoek kunnen ervaringen uit nog andere regio’s worden gebruikt. We zien de groep van vijf regio’s zeker niet als gesloten.

Onze aanpak bouwt ook een deductief luik in. Voor het onderzoek over de wijze waarop het proces rond de regioscreening is verlopen en de betekenis die dat proces krijgt in de regio, maken we een koppeling met benaderingen van beleid die in de literatuur worden gebruikt (zie onder andere Bekkers, 2007). Domineert eerder een culturele benadering (welke streefbeelden in het denken over de regio zijn stimulerend geweest voor het proces?); een rationele benadering (met welk hervormingsdoel in functie van doelmatigheid en democratische controle wordt aan die regioscreening gewerkt?); een politieke benadering (in welke mate bepaalt het spel van de stakeholders welke acties of prioriteiten vorm of net geen vorm krijgen?) of, tot slot, een institutionele benadering (welke praktijken en historisch gegroeide patronen in de regio bepalen de aard, de richting en de ambities van het proces). 

Belangrijke randvoorwaarden en beperkingen

In dit project zullen de onderzoekers niet zelf inventariseren, noch inventarissen op hun correctheid controleren. Het is evenmin de bedoeling om in andere regio’s regioscreenings technisch te gaan uitvoeren. Dit project is een meta-onderzoek over de regioscreening.

In het Groenboek staat de bestuurskracht van gemeenten centraal en de fusie wordt als een van de instrumenten opgesomd. We kunnen in dit onderzoek nagaan welke inzichten over bestuurskracht van gemeenten uit de uitgevoerde regioscreenings te halen zijn. Het is echter niet de bedoeling om in dit onderzoek een set van indicatoren te gaan ontwikkelen voor een technische meting van bestuurskracht van gemeenten of om die te gaan uitwerken als een onderdeel van nieuwe regioscreenings. We geloven als onderzoekers ook niet dat zo’n eenvoudige set van indicatoren te ontwikkelen is die ondubbelzinnige kwantitatieve resultaten over bestuurskracht van gemeenten zou geven.

Regioscreening: geen neutraal instrument

De regioscreening maakt deel uit van het debat over de interne staatshervorming. Die context is niet neutraal en dus kan ook de finaliteit van het instrument niet neutraal zijn. Dat is zo in de regio’s zelf en het is zo op Vlaams niveau.  Onvermijdelijk plaatsen verschillende stakeholders dit instrument in verschillende perspectieven.  Sommigen zien in de regioscreening een al dan niet verborgen opstap naar het creëren van vaste regionale verbanden (stads- of streekregio’s), de aanzet tot nieuwe vaste bovenlokale bestuursvormen die in de plaats zouden komen van provinciebesturen. Anderen lijken dit meteen te koppelen aan een fusie van gemeenten. Voor anderen is de regioscreening eerder een managementinstrument dat de discussie opent over betere verantwoording en meer doelmatigheid van bestuursvormen waarbij het provinciebestuur een van de betrokken besturen is. Voor het Vlaamse niveau lijkt de ambitie vooral te zijn om tot uniformiteit van schaalafbakeningen te komen als redelijk stringent kader voor de bundeling en de rationalisatie van zoveel mogelijk samenwerkingsverbanden. We verwezen hierboven al naar de vier verschillende modellen om dit te bekijken: die modellen werken zowel op lokaal als op Vlaams niveau door (en niet noodzakelijk in dezelfde richting).  

Rond het instrument van de regioscreening ontwikkelen zich beelden over goed bestuur. Het instrument van de regioscreening draagt daar vervolgens zelf toe bij en is daarom ook vanuit dit oogpunt niet neutraal: als uit een inventaris blijkt dat in een regio 135 samenwerkingsverbanden geïnventariseerd worden, ontstaat nogal snel het idee dat dit onverantwoord is, dat zich sanering opdringt, dat zich hier een kluwen van niet gecontroleerde bestuursvormen ontwikkelt. Woorden als complex, onoverzichtelijk, een kluwen, oncontroleerbaar,… vormen zich dan snel en zijn zelf niet neutraal ten opzichte van de voorgestelde oplossingen.  Woorden schetsen streefbeelden en geven richting.  Die oplossingen gaan dan vaak in de richting van bundeling en herleiden tot één bestuur omdat dit met eenvoud en overzichtelijkheid wordt vereenzelvigd. De inventarissen zijn evenwel alleen brede en kwantitatieve overzichten, terwijl veel van de genoemde termen eerder op een diepgaandere  kwalitatieve inschatting duiden. De inventarissen roepen echter onvermijdelijk ook kwalitatieve associaties op.

In dit meta-onderzoek nemen we een kritische analyse van de vooronderstellingen over de finaliteit van de regioscreening zelf mee als deel van het onderzoek en gaan we na hoe regioscreenings ook beelden van bestuur helpen vormen. Welke doelen dient een regioscreening ? Wat leert ons de analyse: voor welke doelen kan een vorm van regioscreening worden gebruikt, voor welke eventueel niet ? Hoe wordt het concept regio in de regioscreenings ingevuld, welke beelden van bestuur worden door de regioscreenings opgeroepen ?  

Valorisatie

Het onderzoek levert volgende 6 outputs op:

  1. Een synthese van de uitgevoerde inventarisaties vanuit inhoudelijk en technisch oogpunt
  2. Een synthese van de motieven en ambities en van de manier waarop in de vier regio’s procesmatig met dit materiaal is gewerkt en van de leerpunten uit en effecten van deze processen in de vier regio’s
  3. Aanbevelingen, cq een draaiboek om in andere regio’s de technische inventarisatie uit te voeren en om een interactief proces te starten
  4. Een meta-analyse van finaliteit en gebruik en van beelden van bestuur die zich doorheen de processen van regioscreening ontwikkelen.
  5. Een analyse van de resultaten en de voorstellen die uit de gerealiseerde regioscreenings komen in relatie tot de discussie over de interne staatshervorming: waarom komt men tot deze voorstellen; komen daar krachtlijnen uit die identiek zijn voor de vier regio’s; waar zitten de verschillen en hoe zijn die te verklaren; (hoe) kunnen de voorstellen gekaderd worden in de doelstellingen van het Groenboek?
  6. Hoe kan de Vlaamse overheid deze processen stimuleren en hoe kan de Vlaamse overheid deze lokale processen ondersteunen door algemene of bijzonder op de regio’s gerichte  beleidsmaatregelen?

Onderzoekers

Hogeschool Gent
Coördinatie:

  • prof. dr. Filip De Rynck en dr. Ellen Wayenberg (H.gent)
  • dr Joris Voets (Instituut voor de Overheid)

Uitvoering: An Decorte

Intranet
Met de steun van de Vlaamse Overheid | Copyright © KU Leuven | Reacties op de inhoud: Anita Van Gils | Datum laatste wijziging: 23-02-2012 | http://www.steunpuntbov.be