SBOV I
SBOV III Partners Contact  
 
Onderzoek
Publicaties
 
 
 
English

B-spoor: Stedenbeleid (2007-2011)

PROJECT 2007-2008: Strategische besluitvorming in Vlaamse centrumsteden: alternatieve modellen en strategische sturingsinstrumenten

I. PROBLEEMSTELLING

In de laatste twee legislaturen van de Vlaamse Gemeenschap werden een aantal studies gerealiseerd waarin er op verkennende wijze werd stil gestaan bij de strategische besluitvorming binnen de 13 Vlaamse centrumsteden. Concreet kan gedacht worden aan het Stadsmonitor project voor Leefbare en Duurzame Vlaamse steden en de voorbereidende studies van het Witboek Stedenbeleid. Sommige vaststellingen kwamen eveneens aan bod in het Visitatierapport van het Stedenfonds 2005, iets wat het belang en de geldigheid van de initiële vaststellingen alvast kracht bij zet. De vaststellingen binnen al deze studies zijn vrij gelijklopend en vormen een belangrijk vertrekpunt voor de centrale probleemstelling van dit projectvoorstel, namelijk: de modelmatige ontwikkeling en optimalisering van een gepast, bruikbaar en professioneel strategisch management instrumentarium voor de 13 Vlaamse centrumsteden. Dit instrumentarium moet de beleidsverantwoordelijken binnen de desbetreffende stadsbesturen helpen bij de vormgeving, (zelf)evaluatie en bijsturing van hun strategisch besluitvormingsproces.

II. VRAAGSTELLING

De vraagstelling is vierledig en luidt:

  • Op welke alternatieve wijzen kan het strategische besluitvormingsproces vorm krijgen in de 13 Vlaamse stadsbesturen? Welke verschillende managementparadigma’s zijn (theoretisch) relevant en welke (empirisch) herkenbaar?
  • Welke concrete beleidsinstrumenten of instrumentkoffers passen telkens bij elk managementparadigma? Wat zegt de theorie en wat leert ons de empirie?
  • Welke kritische succesfactoren en randvoorwaarden beïnvloeden de daadwerkelijke (succesvolle?) opname en/of activering van deze beleidsinstrumenten of instrumentenkoffers? Wat zegt ons de theorie en wat leert ons de empirie?
  • Welke strategische modellen kunnen we op basis van de voorgaande vragen construeren? We gaan er dus expliciet van uit dat er niet één model bestaat en dat stadsbesturen zelf keuzes kunnen (moeten?) maken in functie van gewenst en/of noodzakelijk maatwerk.

III. ONDERZOEKSONTWERP

Zoals blijkt uit de fundamentele vraagstelling heeft het onderzoeksvoorstel tot doel om op een uitgesproken empirische of inductieve wijze over te gaan tot de ontwikkeling van stedelijke strategische besluitvormingsmodellen (cfr. wat leert ons de empirie? welke extra, aanvullende of andersoortige inzichten leren ons de empirische onderzoeksresultaten op?).

De ontwikkeling gebeurt evenwel niet in het luchtledige, maar vertrekt vanuit een algemeen, theoretisch referentiekader. Dit theoretische referentiekader behelst drie (hoofd)keuzes.De eerste twee hebben betrekking op de belangrijkste, disciplinaire vakgebieden waarbinnen het ontwikkelingswerk zal plaats grijpen (organisatiemanagement en strategisch management) en een derde keuze op de in het onderzoek centraal gestelde managementparadigma’s namelijk het neoklassieke denken, het (organisch) logisch incrementeel denken en de stakeholdersbenadering. Vooral de twee laatste paradigma’s zullen uitgebreid aan bod komen in de modelontwikkeling. Hierover bestaat er momenteel immers weinig concrete kennis en inzichten.

Qua onderzoeksmethode wordt geopteerd voor de gefundeerde theoriebenadering. Deze methode heeft betrekking op het inductief modelleren van de werkelijkheid in wat Glaser en Strauss “grand theories” plegen te noemen. Ingevolge de hiervoor vermelde keuzes en het reeds eerder gerealiseerde onderzoek (zie probleemstelling), passen wij niet de zuiver inductieve variant van de gefundeerde theoriebenadering toe. Op basis van het theoretisch referentiekader ontwerpen we een initieel of embryonaal theoretisch model dat vervolgens stapsgewijs verder wordt aangevuld en bijgestuurd i.f.v. achtereenvolgende veldverkenningen. Deze veldverkenningen grijpen plaats in de 13 stadsbesturen van de Vlaamse centrumsteden op basis van een gecombineerd gebruik van dataverzamelingsinstrumenten. Concreet betreft het focusgroep gesprekken (vb. de leden van het CBS en managementteam), individuele interviews (vb. afzonderlijke politieke en ambtelijke beleidsverantwoordelijken) en documentanalyses (vb. beleidsnota’s, projectverslagen, …). Indien nodig wordt er ook informatie verzameld aan de hand van korte en zeer gerichte schriftelijke en/of telefonische vragenlijsten. In tegenstelling tot de kwantitatieve onderzoekstraditie dienen deze laatste niet om hypothesen te falsifiëren, maar wel om additioneel ontwikkelingsmateriaal te verzamelen.

IV. VALORISATIE

De valorisatie is ingevolge het typische steunpuntkarakter tweeledig. Enerzijds is er de academische of wetenschappelijke valorisatie (vb. de ontwikkeling van nieuwe - nog niet bestaande of alvast meer genuanceerde - inzichten en modellen omtrent strategische besluitvorming die het voorwerp zullen vormen van wetenschappelijke publicaties, wetenschappelijke seminaries, wetenschappelijke vorming en onderwijsinitiatieven, ...) anderzijds de beleidsondersteunende of praktijkgerichte valorisatie (vb. de ontwikkeling van een praktisch bruikbaar instrumentarium ter zake, praktijkgerichte vormingssessies, praktijkgerichte seminaries, ...).

V. ONDERZOEKERS

Coördinatie 2007-2008: prof. Nathalie Vallet, Universiteit Antwerpen
Uitvoering 2007-2008: Gilles Bauwens

Intranet
Met de steun van de Vlaamse Overheid | Copyright © KU Leuven | Reacties op de inhoud: Anita Van Gils | Datum laatste wijziging: 23-02-2012 | http://www.steunpuntbov.be